Grand Old Ladies

De rij op het Brooklyn Book festival reikt tot ver op de stoep. Tientallen bezoekers staan met boeken en blocnotes onder de arm te wachten op de komst van Joan Didion. Ze is inmiddels achtenzeventig en ziet eruit als een groot uitgevallen insect. Maar wanneer ze spreekt, is de kracht van haar woorden omgekeerd evenredig aan die van haar fysieke uitstraling: scherp, sterk, en niet te overtreffen zo raak. Het is vijftig jaar na haar debuut als journalist en essayist, en Joan Didion heeft het nog steeds.

GrandLadies

Illustratie: Siegfried Woldhek

Ze is een icoon van New Journalism, de stroming die in de jaren zestig het Amerikaanse journalistieke landschap opschudde door in verhalen de journalist zelf centraal te stellen en voor verteltechnieken leentjebuur te spelen bij de roman. De meeste vertegenwoordigers zijn van het toneel verdwenen: Truman Capote en Norman Mailer zijn overleden en Tom Wolfe keerde al snel terug naar ‘normale’ romans.

Dit geldt niet voor drie vrouwelijke schrijvers die destijds in meer of mindere mate tot de New Journalists gerekend werden: Joan Didion (1934), Janet Malcolm (1935), en Renata Adler (1938). Deze zomer verscheen een nieuwe bundel van Janet Malcolm: Forty-one False Starts: Essays on Artists and Writers. Renata Adlers geprezen romans Speedboat (1976) en Pitch Dark (1981) werden dit jaar opnieuw uitgegeven. Joan Didion publiceerde twee jaar geleden Blue Nights, over het verlies van haar dochter, dat een bestseller werd. De bejaarde vrouwen treden alle drie nog regelmatig op, vooral in boekhandeltjes en op kleine podia.

Onttovering

Women Adrift worden ze genoemd, dwalende vrouwen. Alle drie begonnen ze met schrijven in het New York van de jaren zestig, toen die stad uitgroeide tot het wereldwijde mekka voor journalistiek en literatuur. Daar gebeurde het en zij waren de It-girls, die verslag deden van die hoopvolle jaren waarin iedereen droomde van een betere wereld. Maar Adler, Didion en Malcolm behoorden niet tot de jubelende groep.

Toen ze in de loop van de jaren zeventig doorbraken, overheerste de teleurstelling over de jaren daarvoor. Niemand beschreef zo meesterlijk de kater, de ‘post-Woodstock onttovering’, als zij. Het is de radicale twijfel van Didion, Adler en Malcolm, die hen toen zo aantrekkelijk maakte, en waarvoor ook nu die zaal in Brooklyn weer volloopt.

Joan Didion verliet na de jaren zestig de stad en ging in California wonen. Daar publiceerde ze de bundel Slouching Towards Bethlehem, met essays en reportages over wat ze in haar voorwoord samenvatte als de atomization, het uiteenvallen van de Amerikaanse samenleving. Met reportages over onder meer hippies in San Francisco, de huwelijksmarkt in Las Vegas en John Wayne belichtte ze de sociale en culturele omwentelingen van de jaren zestig en zeventig. In datzelfde voorwoord benadrukte ze wat de New Journalists van haar tijd betoogden: dat journalistiek per definitie een subjectieve exercitie was. Ze was geen ‘objectieve’ cameralens en bovendien niet geneigd te schrijven over zaken die haar koud lieten. Daarmee was haar schrijven altijd een weergave van hoe ze zich voelde.

Renata Adler (1938) schreef haar eerste roman over dezelfde periode die Didion omschreef in Slouching Towards Bethlehem. Adlers dit jaar opnieuw uitgegevenSpeedboat is een opeenstapeling van anekdotes en gesprekken, die bij elkaar opgeteld het verhaal vertellen van het moment waarop het glorieuze uitzicht van de jaren zestig veranderde in een teleurstelling. Het is een roman, maar de hoofdpersoon is in alles Adler zelf. En die krijgt er net zo goed van langs als de rest. Dat hoort ook bij Adler: haar kritiek is genadeloos. En die kritiek maakte indruk, want Adler is niet zomaar iemand. Ze studeerde literatuurwetenschap aan Harvard, filosofie bij Claude Levi-Strauss aan de Sorbonne, ze was de eerste vrouwelijke filmrecensent van The New York Times en werkte jaren op de redactie van The New Yorker. En telkens bedankte ze haar werkgevers met kritiek op hun werkwijze, in de vorm van essays en boeken.

Zo publiceerde ze een boek over haar tijd bij The New Yorker waarin ze zo hard tekeerging dat ze niet meer welkom was op de redactie. Soms was ze gemeen, maar de tijd gaf Adler altijd gelijk. Ze demaskeerde egoïsten die pretendeerden idealisten te zijn. Ze bestreed corruptie en luiheid. Beroemd werd haar afrekening met een collega filmrecensent, waarin ze voorschrijft wat een recensent zou moeten doen en uitlegt waarom haar collega daarin faalt. Pauline Kael, de recensent in kwestie, verdween van het toneel en Adler is er nog steeds. En nu, bij de herpublicatie van Speedboat, verwelkomt The New Yorker haar terug: Welcome Back Renata Adler, kopte het tijdschrift.

Eindeloos geciteerd

Malcolms werkwijze is subtieler, maar niet minder doortastend. ‘Every journalist who is not too stupid or too full of himself to notice what is going on knows that what he does is morally indefensible,’ schreef ze in de openingszin van The Journalist and the Murderer (1990). Malcolm (Praag, 1935) was toen al een gevierd journalist wier werk – in boeken en reportages voor The New Yorker– zich kenmerkte door een grote belangstelling voor de journalistiek zelf.

Wie is de journalist? Wat doet hij of zij met zijn onderwerp? En hoe moreel verantwoord is dat eigenlijk? Het zijn vragen die Malcolm keer op keer stelt in haar reportages en essays. Het zijn vooral de journalisten die zeggen te handelen namens het volk, die op pad gaan met het mandaat ‘the people have the right to know’, die ze wantrouwt.

The Journalist and the Murderer ging over een journalist die het verhaal van een van moord verdachte arts optekende en daarbij de feiten verdraaide om het verhaal aantrekkelijker te maken. Criticus Craig Seligman vergeleek Malcolm ooit met Sylvia Plath: Malcolm, aldus Seligman, vond haar roeping in onaardigheid: ‘Malcolm’s blade gleams with a razor edge. Her critics tend to go after her with broken bottles.’

Hoewel haar kijk op het journalistieke proces haar door de meeste vakgenoten inderdaad niet in dank werd afgenomen, gaf de tijd ook haar gelijk: inmiddels geldt het boek als een klassieker en is de openingszin eindeloos geciteerd. Malcolm is de beste journalist van haar tijd, schreef Newsweek toen haar nieuwe bundel in mei verscheen. Forty-One False Starts is een collectie verhalen over schrijvers en kunstenaars waarin Malcolm in de beste traditie van de New Journalists bijvoorbeeld met haar eigen schilderij op schilder David LaSalle afstapt en vraagt: waarom zijn jouw collages wel kunst en die van mij niet?

Wat Adler, Malcolm en Didion nog steeds zo populair maakt, is hun eerlijkheid over de grenzen van het schrijven en hun koene pogingen om toch kritisch te blijven. Dat deden ze door zichzelf centraal te stellen. Wat in de jaren zestig New Journalism werd gedoopt, was, zoals wel vaker het geval is bij ‘nieuwe’ literaire vormen, niet helemaal nieuw. Voor de New Journalists waren de traditionele gereedschappen van de journalist niet toereikend om recht te doen aan de sociale en culturele veranderingen van de jaren zestig en zeventig. Maar wie op zoek gaat naar voorlopers van deze vorm van journalistiek – subjectief, kritisch, persoonlijk, participerend, gepassioneerd, partij kiezend – komt al snel uit bij demuckrakers van het eind van de negentiende eeuw en, wat later, in de jaren twintig en dertig, bij journalisten als George Orwell, Stephen Crane en Lincoln Steffens.

Het is niet vreemd dat journalisten juist in die drie periodes afstand deden van een alwetende, objectieve toon: in tijden van grote economische, sociale of politieke omwentelingen ontstaat de behoefte om de wereld op een andere manier te beschrijven, een die recht doet aan de complexiteit van de werkelijkheid. Logisch dus dat juist in deze openingsjaren van de eenentwintigste eeuw Didion, Malcolm en Adler zo graag gelezen worden en als inspiratie gelden voor een nieuwe generatie schrijvers.

---

Tags:
, , , , , ,

Gepubliceerd op: 4 August 2013


© 2012 Tim de Gier • Gedreven door WordPressContact • Hosting door OxilionTypekit colofon • Etc